Tekst: Kiki Mulder
Foto: Jan Timmers
Vieze Handen
Met mijn ogen dicht en haren in het zand keek ik naar de ruimte boven me; zwart, maar gekleurd tegelijk. Naast me lag Sarah met haar armen en benen wijd. We hadden nog geen woord gezegd sinds we hier waren. Ik had ook nog niks te vertellen. Alleen te kijken hoe de zon opkwam uit de immense vlakte om ons heen en te kijken hoe ze op Sarah straalde. Ze werd er mooier van en de zon ook. Sarah was cool, ze droeg een zilveren ketting en een lange zwarte jurk. Om haar arm had ze een zwarte armband van leer en een zilveren ring aan bijna elke vinger. Ik kon me niet meer herinneren hoelang het geleden was dat ik ook zo had gelegen, en ook zo zorgeloos was geweest. Gister had ze nog een fles whisky voor de deur van de kerk gezet. Met takjes had ze erboven ‘geschreven’: cadeautje voor de vrouwen. En eronder legde ze een citaat van Sartre dat ze uit haar boek over het existentialisme had gescheurd: ‘‘En hoewel de zelfontwerpen uiteenlopen, toch zal geen enkel ervan mij geheel vreemd blijven, omdat zij zich allen aandienen als een poging de grenzen te overschrijden, te verleggen of te ontkennen, of om zich ernaar te schikken.’’ Ze was er de hele avond mee bezig geweest en nu lag ze hier rustig in het gras. Misschien fantaseerde ze over dronken gelovigen die een ander gezicht bedachten voor god en in discussie raakten. Ze had iets, dat ik niet had, waardoor ze de vogels hoorde fluiten en de wind op haar wangen voelde. Ik daarentegen had spierpijn in mijn buik die versteende bij de gedachte dat ik gister zo hard had kunnen lachen om de dis-balans die ze gecreëerd had. Ik zag een lieve oude vrouw voor me die zich met hart en ziel inzette voor de kerk; die geraakt door haar bericht de deuren opende en zo aan haar dag begon. Ik zag jongeren op een bankje die met boze woorden van de pastoor onterecht de schuld kregen voor openbare ordeverstoring. Had ze voor extra regels gezorgd of voor verruiming? Ik wilde Sarah’s hand pakken, maar dan zou ik haar stilte onderbreken. Ik wilde haar stilte en ik wilde weg. Voorzichtig deed ik haar lange zwarte haren achter haar oor en fluisterde mijn keuze. Nu was er een andere stilte. Ik vertrok en wist niet of ik terug zou komen.
Illustratie: Jan Timmers
Na een uur lopen door hetzelfde landschap zag ik een oude vrouw in de verte. Ze zat in kleermakerszit in het gras en droeg een gebroken wit, linnen pak. Ze had een bril op, oogschaduw met een lichte glitter en oorbellen die van glas leken te zijn. Haar rimpels tekenden haar gezicht. Met haar korte, gekrulde en spierwitte haar, kon ik niet anders denken dan dat ze op een engel leek. Ik ging naast haar zitten en zag toen pas waar ze naar keek. Voor haar stond kamille tussen het gras. Zeven lange sprieten bij elkaar die met de wind mee bogen. Uit het niets trok ze de langste steel uit de grond. Ze legde het bloemetje in haar verrimpelde hand. Er stonden nu zes bloemen in de grond en ik snapte niet waarom ze dit had gedaan. Allen in bloei, even wit, even geel, en toch was het deze die ze had gekozen. Ze begon te huilen. Traan na traan stroomde langzaam over haar wangen. ‘Hee, het is oké’, zei ik om haar gerust te stellen, ‘hoe heet je?’ Met haar ogen rood uitgeslagen antwoorde ze uiteindelijk: ‘Sarah’. Snel maakte ik een gaatje in de grond en zette het bloemetje terug. Zijn wortels waren gebroken, maar hij stond weer op dezelfde plek, in dezelfde grond. Ik ging bij haar weg en zij bleef in verdriet achter, hoeveel ik mijn best ook had gedaan om haar te troosten.
Ik kwam Sarah tegen in een hutje onderweg. Ze had nog niks gegeten en veel gedronken. Ik kwam haar tegen op een schommel. Waar ze hoger vloog dan elk ander kind die het ook probeerde. Ik kwam haar tegen in muziek, met de gordijnen dicht en op de stoep. In de war en in de weg. Uitgeput stond ik op een heuvel en zag alle Sarahs voor me in het dal. Ze drongen zich als een compleet chaotische samenleving aan me op. Schreeuwend door elkaar, vastgelopen in de herhaling en stilletjes in een hoekje hopend onvindbaar te zijn. Ze werden een stilleven toen ik ze in de ogen keek en een knuffel gaf; zwart en gekleurd tegelijk. Ik dacht dat ik de kleuren zelf kon kiezen, maar ik kon ze alleen zelf veranderen. Met vieze handen had ik de ruimte geopend en schreef in het zand: ‘Ik ben, omdat wij zijn’.