Tekst: Beau Magdelijns
Diamantduifjes gillen niet
Het is zondagavond wanneer ze thuiskomt met een envelop in haar zak. Ze trof hem vandaag aan in haar kluisje bij het buurtzwembad, twee weken later dan afgesproken, maar nog altijd sneller dan wanneer ze het in haar eentje bij elkaar had moeten sprokkelen. Het is bijna genoeg. De spanning van het wachten zal haar weerstand gebroken hebben; een griepje, zo noemde ze het zelf. Misschien was de conciërge ook ziek geweest, gevloerd door de griep, drijfnat van de koorts net als zijzelf, en duurde het daarom langer. Misschien had de bank er een stokje voor gestoken toen hij het geld wilde opnemen. Of misschien was hij haar naar huis gevolgd, had hij naar binnen gekeken en had het er allemaal veel minder ernstig uitgezien dan zij het die ene keer had doen lijken, toen ze hem in vertrouwen nam. Ze kijkt naar buiten. Reflecties van twee raampartijen op de sneeuwvlakte rondom het huis lichten op als gele vierkanten. Verder is er niets te zien in het donker.
Maandag gaat ze zwemmen. Het zwembad is verwarmd en zo’n veertig minuten lopen. De sneeuw kraakt onder haar voeten. Er gaat een rilling over haar rug. Het geluid herinnert haar aan de momenten dat ze haar hand in een zak watten steekt, voordat ze ze in de alcohol doopt. Een wekelijkse routine wanneer hij thuis is.
Ze trekt haar baantjes en gaat een keer van de waterglijbaan. De conciërge is nergens te zien, maandag is zijn vrije dag, dat weet ze. Toch controleert ze op weg naar buiten snel het kluisje. Leeg. Met haar handen in de zakken van haar rok begint ze aan de terugwandeling.
Op dinsdag bevindt ze zich tussen de zonnehoedjes waar de tuin vol mee staat, zorgvuldig pakt ze de eikenbladeren op die die nacht zijn neergevallen, stopt ze in de zak van haar rok. Ze had de zonnehoedjes zelf gezaaid, in het voorjaar dat hij veel thuis was. Uren spendeerde ze in de tuin, zaadje voor zaadje stopte ze in de grond en toen ze de hele tuin gevuld had en hij nog eens een maand thuis moest blijven, legde ze een pad aan van stenen die ze vond langs de rivier achter het huis. Hij moet gedacht hebben dat ze zich er thuis begon te voelen, en zolang ze een reden had om buiten te zijn was dat misschien ook wel zo.
Dit jaar bloeiden de zonnehoedjes voor het eerst. Sindsdien draagt ze een tuinschaartje mee, zodat ze de bloemen kan bijknippen wanneer ze door de tuin loopt. ‘s Zomers vormden ze een ensemble van donkere wezentjes met kleurrijke rokken. Geel, roze, wit; de vuurrode waren haar favoriet. Naarmate het kouder werd, droogden de rokken uit. Hele stukken lieten los, terwijl andere delen verschrompeld bleven hangen. ‘s Winters, zoals nu, zijn alleen de hoedjes en hun stengels nog over, als opgebrande lucifers. Een tuin vol zwarte bolletjes, dansend boven de grond. Nog even, denkt ze, en dan vlucht ik met dit uitgemergelde en ontkleedde ensemble weg.
Illustratie: Jan Timmers
Op woensdag wordt ze gewekt door het krakende geluid van banden die door de sneeuw richting het huis komen. Ze ligt in bed en hoort hoe het geluid plaatsmaakt voor banjerende voetstappen. Wanneer dat geluid onder haar open raam tot stilstand komt houdt ze haar adem in. Beneden gaat de deur open, ze is stil. Ze staat op uit bed en strijkt haar rok glad.
Duifje, geef me eens een kus, zegt hij, en dat doet ze. Hij omhelst haar en wijst naar de lege envelop op tafel.
“Wat is dat?”
Ze haalt haar schouders op. In zijn omhelzing hangen haar armen langs haar lichaam als de bladen van verwelkte zonnehoedjes.
Hij raapt de envelop van tafel, zoekend naar een handschrift, naar inhoud. Iets in zijn blik is veranderd en hij begeleidt haar naar de bank en duwt haar rok omhoog.
Op donderdag wordt ze wakker, nat van het zweet. Door het open raam landen kleine witte sneeuwvlokjes op haar voorhoofd en armen. Ze stapt uit bed en hangt haar hoofd uit het raam. Natte witte glitters sieren haar donkere korte haren. Ze koelt af. Wanneer ze beneden komt ziet ze dat hij al is vertrokken. ‘Morgenmiddag weer terug’, schreef hij op de lege envelop. Het bericht laait de hitte in haar lijf weer op. Met een looppas die op struikelen lijkt vertrekt ze naar het zwembad. Zelfs de zweetdruppels op haar rug lijken haast te hebben.
Ze zwemt. Het chloor prikt in een schaafwond op haar pols die ze zich niet herinnert. Ze overweegt of ze weer van de glijbaan zal gaan, wanneer ze de conciërge terug ziet keren van zijn pauze. De oude man steekt zijn hand naar haar op, glimlacht. Ze glimlacht terug en voelt de natte betonnen vloer onder haar voeten warm worden. Nog in haar badpak loopt ze naar de inkomsthal van het zwembad waar het kluisje zich bevindt. Haar voorhoofd gloeit. Het kluisje lijkt uit zijn voegen te barsten, uit te dijen tot een bom die op hoogspanning staat. Het deurtje is een bolle buik waar cijfertjes op dansen en wanneer ze hem opent zuigt alles zich als een vacuüm terug. Ze steekt de inhoud in haar badpak en snelt zich naar de kleedkamers. Onderweg naar huis denkt ze aan de conciërge. Ze vergat hem te bedanken.
Ze heeft kriebels in haar buik wanneer ze op vrijdag wakker wordt. Nog onder de dekens haalt ze de stapel uit haar rokzak tevoorschijn. Hoe lang is het geleden dat ze eigen geld in handen had? Laat staan zo veel. Ze beweegt haar vingers over de oranje, gele en een aantal groene biljetten. Ze overweegt om nog even naar het zwembad te gaan, om de conciërge te bedanken, maar het middaguur heeft al geslagen en ze moet de zonnehoedjes nog snoeien.
Een uur of twee later knipt ze de laatste stengel af. Door de kou voelt ze haar hand niet meer, maar vanbinnen gloeit ze. Haar bloed trekt als stroop door haar aderen, in de zak van haar rok klopt het briefgeld op het ritme van haar hartslag. De tuinschaar steekt ze in de andere zak, waarna ze begint de stengels tot bossen samen te binden om die in een grote weekendtas te stoppen. De laatste bos valt uit haar hand wanneer hij de oprit oprijdt. De hand schiet naar het briefgeld, dat verpulvert in haar greep. Haar andere hand vindt rust op de schaar in haar zak. Hij stapt uit de auto, reageert verrast op haar verschijning, de eenzame huisvrouw in haar verdorde tuin. Wanneer hij haar omhelst, zoeken haar vingers houvast om de handgrepen van de tuinschaar. Een haal, meer niet, moet genoeg zijn.